ARTIKEL UIT Kerkbode








nummer


7

datum uitg.


13-feb-2004

thema


Geloof en medische ethiek vlgnr 2


Waarom nu aandacht voor gebedsgenezing? - J.H. Kuiper




Een diepteboring.

Nog niet zo heel lang geleden wisten we, dat gebedsgenezing, als typisch onderdeel van de zogenaamde geestesgaven, niet kan. Het paste misschien bij de begintijd van de kerk. Het kon voorkomen in zendingsgebieden. Maar in de Nederlandse kerk is het voorbij. Nu wordt er druk gepraat over de bijzondere gaven van de Geest, ook door vrijgemaakte predikanten. Er zijn stromingen in het pastoraat die heel nadrukkelijk het gebed gebruiken als middel in de strijd.
Aan de hand van een aantal citaten uit een referaat van prof.dr. M.te Velde wil ik duidelijk proberen te maken waar dat mee samenhangt. Hij heeft het referaat gehouden op de kerkenradendag 2003; u kunt het hele referaat vinden op het internet, www.steunpuntgemeenteopbouw.nl.

Theologie van het kruis

Graag begin ik met een typering van twee soorten theologie. Een paar latijnse termen worden gebruikt, die u zomaar begrijpt. Het is een oud onderscheid dat Te Velde maakt, tussen theologie van het kruis en theologie van de glorie. Dit onderscheid speelt al een rol in de gesprekken tussen de reformatoren en de wederdopers. In de ethiek gaat het om een stroming die nadrukkelijk vanuit het komende koninkrijk denkt (de glorie) tegenover een ethiek die meer vanuit de situatie van de verlorenheid van de mens de dingen op zet. Prof. Te Velde typeert dat zo:

In de theologie wordt wel het onderscheid gemaakt tussen theologia gloriae (theologie van de glorie) en theologia crucis (theologie van het kruis). In de theologia gloriae ligt de nadruk op wat er voor een christen, voor een kerk, allemaal haalbaar is, de hoogte van vernieuwing en heiliging en Geestesgaven die je bereiken kunt. De theologia crucis vraagt daarentegen aandacht voor de diepe verdorvenheid van de mens. De mens heeft niets, niets van zichzelf. De kerk is een bedelaarskerk, die alles, alles van Christus de Gekruisigde hebben moet. Die altijd terug moet naar het kruis van Golgotha. Kenmerkend type van de theologia gloriae is bv. de evangelisch-charismatische gemeente. Veel accent krijgt daar de heiliging door de Geest, de hoge staat van nieuwheid, geestesgaven, zelfs zondeloosheid die een christen bereiken kan. Je kunt ver komen. Bij theologia crucis moet je denken aan mannen als Luther en Kohlbrügge. Alle nadruk ligt bij hen op de rechtvaardiging in Christus, vrijspraak voor arme zondaren, niet eenmalig, maar telkens weer: terug naar het kruis. Je blijft een zondaar, bedelaar, en je moet altijd weer door het oordeel, door de crisis van het kruis heen. Alles loslaten, alles kwijtraken, om in Christus alleen alles te vinden en te krijgen.

Waar staan wij?

Als dit zo neergezet is, komt de vraag vanzelf boven: waar staan wij dan in dat geheel? Bovenstaande is immers maar een heel algemene typering, waarbij je niet zomaar jezelf een plek geeft. In beide typen herken je iets van ons en ook weer niet. We gaan verder:

De vrijgemaakt-gereformeerde theologie en spiritualiteit zijn noch theologia gloriae noch theologia crucis. Als ik die ergens moet plaatsen, dan zou ik zeggen: het is een theologie en spiritualiteit van het gematigd optimisme. Zo optimistisch als het evangelische heiligingsdenken is het niet. Het houdt daar ook altijd nadrukkelijk afstand van. Maar je kunt ook niet zeggen dat het echte kruis-theologie is. Het kruis functioneert wel: er wordt regelmatig gesproken over schuld en verzoening. Maar het kruis staat in feite ergens op de weg die achter ons ligt. We zijn er al langs gekomen. God heeft immers zijn verbond met ons gesloten. En nu komt het meer aan op dagelijkse vernieuwing dan op dagelijkse verzoening. Zo houden we dus het midden: niet te hoog en niet te laag. Het veilige midden.

Gevolg

Hoe komt het dan dat dit veilige midden niet meer voldoet. Waarom komen juist nu die vragen naar boven. Wat is er aan de hand? We lezen verder:

Onbedoeld verbondsautomatisme leidt onder ons tot een manier van geloven en kerk zijn waarin geen echte crisis wordt gekend, waarin we niet voortdurend radicaal doodgaan en weer opstaan in Christus, maar – serieus, dat wel, maar toch crisisloos - verder rijden op het goede spoor waarop we – Goddank! - eenmaal gezet zijn. Of niet. Dat leidt dus tot een tamelijk zakelijke manier van geloven en kerk zijn en ambtsdrager zijn.

Onvrede bij oud en jong

Het referaat was bedoeld voor kerkenraadsleden. We slaan de toepassing op het ambt even over, al heeft de invulling van het ambt dat je gekregen hebt alles te maken met dit onderwerp.

De laatste jaren zie je dat patroon haar kracht verliezen. Zekerheden en verworvenheden ontvallen ons. Zomaar ineens storten stukken gereformeerd bouwwerk in elkaar. Eerst denk je: het zijn scheuren en mankementen, - die moeten we zorgvuldig en degelijk herstellen. Dan is het gebouw weer stevig. Maar allengs blijkt dat daarachter nieuwe breuken en grote gaten zitten. We zijn lang niet meer zo eensgezind als eerst. Er komen richtingen die zich van elkaar vervreemd voelen. Er is onbegrip over en weer. Maar het gaat veel verder en dieper nog: er heerst breed allerlei onbehagen, onvrede over de bestaande kerk, over de prediking, over de manier waarop we kerk zijn, zowel naar binnen als naar buiten. Een behoorlijk deel van de jongeren ziet het in de kerk niet meer zitten, gelooft nauwelijks meer echt in God. Die jongeren komen uit onze eigen gezinnen. En het gaat bij hen niet om losse onderdelen van de gereformeerde leer, maar om Hem die het Centrum van geloof en kerk is, om God zelf: 'Is Hij er? Wie is Hij voor mij?' Dat gaat heel diep!

Het is niet alleen een jeugdprobleem:

Er zijn veel gevoelens van onvrede ook bij ouderen, ook bij zeer meelevende kerkmensen. We lopen vast met elkaar. We willen wel anders. Maar het lukt niet goed om een nieuwe koers, een nieuwe weg, een nieuwe spirit te vinden. 'Wachtkamer-sfeer'. Er is wel her en der een zoeken naar vernieuwing. Maar het gebeurt doorgaans binnen de bestaande denkpatronen. We investereerden de voorbije jaren veel in toerusting bijvoorbeeld. En in gemeenteopbouw. We probeerden aansprekender te preken. We probeerden pastoraal inlevend dicht bij de mensen te komen. We probeerden authentieker te zijn in onze geloofsoverdracht. We werkten aan verbetering van structuren. Liever nog: aan visie-ontwikkeling, een mission-statement. Nee. Nóg beter: aan onze spiritualiteit. Allemaal aanzetten tot nieuw perspectief.

Terug naar de woestijn

Meer van hetzelfde leidt dus niet naar een oplossing van de schraalheid die velen proeven in de kerk. Op zich is er niets mis met een ‘verlangen naar meer’. Toch zullen we met elkaar de diepte in moeten, naar de woestijn:

Die woestijn heeft volgens mij alles te maken met het kruis van Christus. De kerk-weg is de kruis-weg. Kruiskerken zijn. Graankorrelkerken (Joh. 12). Volledige overgave aan God. Je niet vasthouden aan wat je bereikt hebt, de instituten, de structuren, systemen, geschriften, zekerheden, vertrouwde codes en riedels. Op zichzelf is daar vaak niets mis mee. Maar ze worden zo gauw tot ‘hebbelijkheden’, tot steunpunten in wat we zelf al bereikt hadden. Niets in onszelf en van onszelf kan dienen voor iets goeds in de gemeente, als het niet éérst allemaal door het oordeel is heengegaan. Alles wat we zelf meebrengen of zouden willen presteren, en vooral ook onszelf moeten we overgeven aan God. Onze schuld en de gebrekkigheid, het gemis aan vitaliteit, maar ook gaven en talenten, onze bèste kerk-werken allemaal bij Hem neerleggen. Telkens weer alles wat we zijnen kerkelijk doen, te laten doorlichten, transparant te laten worden voor zijn aangezicht.
Om ons persoonlijk aan Hem over te geven, radicaal alles kwijt te worden, niets meer over te houden, en dan Hem aanbidden en smeken om vervulling met de Heilige Geest. En dan – genade in de woestijn - uit Hèm nieuw leven, vitaliteit en élan en visie voor ons kerkelijk en ambtelijk leven ontvangen. Zwak en toch machtig. Gods kracht wordt in zwakheid volbracht. In onze overgave volbracht

Een woestijntijd is verschrikkelijk. Maar toch is die ook heel goed elk van ons, en voor de kerk. Een fase van zelfbeproeving, loutering, katharsis, jezelf zien als door de ogen van God. De korsten breken weg, als God ons genadig is. De korsten om ons eigen hart. De systemen en formaliteiten waarin wij de dingen hadden veiliggesteld. De zekerheden waarin we zo graag ons houvast zoeken i.p.v. in de enige God zelf. Dan ga je zien dat niets in onszelf en in ons kerk zijn vanzelfsprekend goed en blijvend en zegenrijk en continueerbaar is. Wij kunnen Gods zegen nooit binden aan ons instituut, aan ons handelen, aan onze denkbeelden. We mogen dat alles alleen bezitten als niet bezittende. Wijzelf en alle kerk-dingen hebben alleen perspectief door de crisis heen, door de reiniging heen, door het kruis van Christus heen. Dat is voor mij in dit verband de betekenis van een woestijntijd. Tijd van overgave aan de pure genade van God.

Toepassing

Het gesprek over de gave van genezing, concreet in de praktijk van gebedsgenezing, past in het gesprek over de bijzondere gaven van de Geest. En dat gesprek komt op in een kerk die een geweldig rijke erfenis heeft, maar er niet uit leeft. De rivier is een keurig kanaal geworden.
Aandacht voor de bijzondere gaven van de Geest ligt dan voor de hand als remedie tegen verdorring. Je moet je afvragen echter of niet een dieper gaande bezinning nodig is: terug naar het kruis. God vult lege handen.
De praktijk van gegarandeerde wonderen op genezingssessies van charismatische leiders lijkt daar niet bij te passen. Aandacht voor de genezing leidt daar de aandacht voor de Genezer, de Heiland Christus af.
Het gesprek over de gave van genezing, los van de praktijk van gebedsgenezing, is daarmee niet afgesloten. Wie zijn wij om God voor te schrijven wat Hij aan de kerk van vandaag wel of niet kan geven. Maar dan staat het in een ander perspectief.

J.H. Kuiper