ARTIKEL UIT Kerkbode








nummer


41

datum uitg.


29-OKT-2004

thema


De Nieuwe Bijbel Vertaling vlgnr 4


De Reformatie: nieuwe Bijbelvertalingen - H. Veldman

Vanaf 1517 breekt met het protest van Maarten Luther tegen de aflaathandel de Kerkhervorming in Duitsland door, al spoedig gevolgd door de Reformatie van Huldrych Zwingli in Zwitserland. Vanaf dat moment is er geen twijfel aan of mt die kerkvernieuwing is ook het startschot gelost voor de vertaling van de Bijbel in de taal van het volk. De Reformatie staat immers bekend als een vernieuwingsbeweging die niet alleen getuigt van Sola Gratia en Sola Fide (alleen door genade en door geloof), maar ook van Sola Scriptura, alleen de Schrift.


Welnu, waar was die Schrift? Moest men het dan maar ‘gewoon’ blijven doen met de oude Vulgata? Nee dus! De Bijbel moet niet als een afstandelijk boek fungeren. De grote christen-humanist Erasmus had trouwens zoveel kritiek op de Vulgata dat hij ertoe overging het Nieuwe Testament in het Grieks uit te geven (1516). Wie dus als voorganger zijn Grieks nog goed kende, kon zijn hoorders in de kerk woorden laten horen die direct uit de zuiverste Bron opborrelden. Maar hoeveel ‘geestelijken’ kenden hun Grieks goed genoeg? En: wat had ‘het gewone volk’ aan een Griekse Bijbel?

Reformatoren vr volkstaal
We zien in de 16de eeuw overal in Europa mannen aan het werk om de Bijbel in de taal van het volk te vertalen. Luther heeft daartoe een krachtige stoot en tegelijk een prachtig voorbeeld gegeven door tijdens zijn gedwongen verblijf op de Wartburg het Nieuwe Testament in het Duits over te zetten. Hij kreeg dat klaar in twaalf weken tijd, daarbij gebruik makend van de Griekse editie van Erasmus! Het vertalen van het Oude Testament heeft twaalf jaar geduurd. Toen was de ‘Wittenberger Bijbel’ klaar, afgezien van vele drukfouten en slordigheden.
Zwingli en zijn medewerkers deden in Zrich net zoiets voor de Zwitserse kerk – ook met behulp van Erasmus’ uitgave van het NT. In 1529 al was de ‘Zricher Bijbel’ gereed.
En voor het Franse volk werd in 1535 de vertaling van Olivetanus, een neef van Calvijn, gedrukt; dat gebeurde in Neuchtel, een stad in het Franssprekende deel van Zwitserland.
Zonder de boekdrukkunst was deze grootse reformatorische operatie niet denkbaar. Luther heeft niet zonder reden het volgende gesteld: “God heeft ons de boekdrukkunst vooral geschonken om de paus ermee in het nauw te brengen.” Het effect van die boekdrukkunst werd versterkt doordat de Bijbel aan het volk in handen werd gegeven. Nu was de paus met zijn hoge geestelijken niet meer in staat de stroom van nieuwe bijbeluitgaven tegen te houden.
Over al deze (buitenlandse) vertalingen zou nog best een heel verhaal te vertellen zijn, maar we willen ons nu richten op Nederland om hier een nieuwe bijbelvertaling te krijgen.

Bijbels uit Antwerpen
Het hoeft niet te verwonderen dat de eerste reformatorische Bijbel in Antwerpen ter wereld kwam. Die ‘vermaerde coopstad van Antwerpen’ was in de 16de eeuw het belangrijkste centrum voor het geestelijke en culturele leven in de Nederlanden. Als havenstad stond het meer dan menig andere stad open voor invloeden van buitenaf. De invloed van Luther daar was merkbaar in het pas gestichte Augustijnerklooster, waarover Johannes Probst (= Praepositus), een vriend en leerling van Luther, prior was. En na diens gevangenneming (en ontsnapping!) was daar Hendrik van Zutphen, eveneens een volgeling van Luther, prior. Ook hij werd gevangen genomen, ontsnapte naar Bremen, maar werd in Noord-Duitsland op gruwelijke wijze omgebracht (1524). Uit het Antwerpse klooster waren ook de eerste martelaren van de Nederlandse Reformatie afkomstig, de jonge monniken Hendrik Voes en Johannes van Essen. Zij werden op de Grote Markt in Brussel verbrand, 1 juli 1523.
Ondanks de vervolgingen bleef men werken aan de vertaling van de Bijbel in de Nederlandse taal. De Antwerpse drukker Jacob van Liesveldt wist in 1526 een complete Bijbel uit te geven naar de vertaling van Luther. Voor het nog niet vertaalde deel van het OT werd gebruik gemaakt van een vertaling uit de Vulgata. Voor de latere drukken van deze Liesveldtbijbel werd de hele Luthervertaling gebruikt. Deze eerste Nederlandse Bijbel sinds de Hervorming was zeer geliefd in die tijd. De uitgave is typografisch bijzonder mooi: talrijke houtsneden zijn erin opgenomen. Maar met Jacob van Liesveldt ging het niet goed. Eerst werd hij in 1536 en in 1542 om zijn Bijbeluitgaven voor het gerecht gebracht, maar werd beide keren vrijgesproken. Maar toen hij in 1542 weer een Bijbel uitgaf ging het echt mis: hij werd opnieuw gearresteerd. Beschuldigd van het uitgeven van ‘kettersche boecken’ werd hij op 27 november 1542 ter dood veroordeeld en al de volgende morgen onthoofd. Het waren vooral de van Luther overgenomen ‘ketterse’ kanttekeningen naast de bijbeltekst die voor de inquisitie reden waren om deze man definitief uit te schakelen.
Een apart verhaal is dat van de Antwerpse drukker Willem Vorsterman. Ook hij heeft een fraaie Bijbel uitgegeven met reformatorische kanttekeningen, maar op de titelpagina wordt de indruk gewekt dat deze uitgave door de controle van de Roomse geestelijkheid heen was gekomen. Daarom wordt deze Bijbeleditie wel aangeduid als een ‘reformatorische Bijbel met een kardinaalshoed’.
Wat deed de Roomse geestelijkheid tegen dit alles? Niet alleen werd de inquisitie erop uit gestuurd om de mensen op te pakken die zich met bovengenoemde praktijken bezig hielden. Men heeft ook nog de moeite genomen om de Vulgata te zuiveren van allerlei onjuistheden. Maar Rome kon het tij niet meer keren. Er kwamen nog meer Bijbels van de persen. Nu van gereformeerde drukkers. Daarvoor was de Oost-Friese havenstad Emden een prima adres.

Emden: Bijbels voor dopers en gereformeerden
In de loop van de 16de eeuw werd duidelijk dat veel Nederlanders niet voor Luthers hervorming kozen. De oorzaken daarvan laten we nu even rusten. Hun keus was anders, radicaler. Een deel van hen volgde de doperse leiders (o.a. Menno Simons), een ander deel kwam onder de bekoring van de leer van Calvijn, zij noemden zich gereformeerd.
Vanaf 1550 maakten veel geloofsvluchtelingen zich uit de voeten naar Emden, waar de protestantse overheid hen geen strobreed in de weg legde. Al vrdat in Nederland het schrikbewind van Philips II en Alva de mensen in het nauw dreef, was er in Emden een niet-aflatende activiteit waarin vooral Zuid-Nederlandse drukkers zich bezig hielden met het uitgeven van allerlei reformatorische geschriften. Zo vonden de werken van Heinrich Bullinger en Johannes Calvijn gretig aftrek.
De dopers hadden ook veel belang bij een ‘eigen’ Bijbel. Dat ‘eigene’ had vooral te maken met de kanttekeningen waarin ze ‘eigen‘ accenten legden, bijvoorbeeld over de ontvangenis en geboorte van Jezus, over het verbond en de doop. In 1558 gaven de drukkers Steven Mierdman en Jan Gheylliart in Emden een Bijbel uit die een vertaling was van een in Noord-Duits dialect (!) verschenen Lutherbijbel. Een herdruk daarvan kwam in 1560 van de persen van drukker Nicolaes Biestkens die uit het Zuid-Nederlandse Diest (in Brabant) was uitgeweken naar Emden. De door hem uitgebrachte Bijbel was een heel bijzondere: voor het eerst was er in Nederland een Bijbel met een indeling in verzen. Iets wat het zoeken naar teksten wel erg vergemakkelijkte. Het is deze editie die vooral bij dopers in de Nederlanden jaren- ja eeuwenlang in gebruik is geweest onder de naam ‘Biestkensbijbel’. In een enkele doopsgezinde vermaning treft men nog wel eens een exemplaar aan.

Gezien alle leerverschillen tussen gereformeerden enerzijds en dopers en lutheranen anderzijds gingen ook de calvinisten aan de vertaalslag voor een goede Bijbel. Er zijn daartoe meerdere pogingen ondernomen, maar de enige die echt goed ontvangen werd bij de kerkelijke leiders was de ‘Deux-Aes Bijbel’. Onder leiding van ds. Godfried van Wingen, een vluchtelingenpredikant, kwam in 1562 deze uitgave van een voor gereformeerden aanvaardbare Bijbel tot stand. Deze bijzondere naam, de Deux-Aes Bijbel, is ontstaan naar aanleiding van een merkwaardige kanttekening bij de tekst van Nehemia 3:5, waar het gaat over teruggekeerde, rijke ballingen die hun schouders niet zetten onder de herbouw van Jeruzalem. Daarover leest men dan in de kantlijn de jammerklacht: “De armen moeten het cruyce draghen, de rijcke en geven niets. deux-aes en heeft niet - six cinque en geeft niet - quater dry, die helpen vrij.” Dit rijmpje – aan een dobbelspel ontleend – betekent vrij vertaald: de armen (deux-aes = twee en n) hebben niets en kunnen dus ook niets geven; de rijken (six cinque = zes en vijf) willen niet, en de middenstand (quater drij = vier en drie) biedt hulp, die helpt vrij.
Deze Bijbel had echter een paar mankementen: hoewel het Nieuwe Testament uit het Grieks was vertaald, had Van Wingen voor het Oude Testament niet het Hebreeuws gebruikt, maar de vertaling van Luther. Bovendien waren de kanttekeningen niet helder, soms klonken ze zelfs aanstootgevend (dat kwam vooral door het bijna letterlijk weergeven van het Duits van Luther).

De bijdrage van Marnix van Sint Aldegonde
En en ander was voor de Gereformeerde Kerken, die in 1571 te Emden hun eerste landelijke synode hielden, wenselijk genoeg om naar een vertaling rechtstreeks uit de grondtekst te streven en waarvan de eventuele kanttekeningen ook goed te begrijpen waren. Maar de pas begonnen – en eerst nog niet erg succesvolle – vrijheidsstrijd tegen de Spaanse tirannen hield het besluit nog enige jaren tegen. Op de synode van Dordrecht in 1578 wordt in het kader van de noodzakelijk geachte bijbelvertaling de naam van Marnix van Sint Aldegonde, de rechterhand van Willem van Oranje, genoemd. Hij is een goed kenner van de oude talen en bovendien zeer taalvaardig. Hij moet nu samen met ds. Petrus Datheen uitzien naar mannen die een dergelijke vertaling ‘behoirlick sullen konnen wtvoeren’. Het levert feitelijk niets meer op dan enkele correcties in de bestaande Deux-Aes Bijbel.
De synode van ’s-Gravenhage in 1586 gaat meer gericht te werk. Deze benoemt Marnix van Sint Aldegonde – op dat moment zonder vast dienstverband – tot bijbelvertaler. Hij krijgt de opdracht om rechtstreeks uit de grondtalen te vertalen. Maar wat gebeurt er? Marnix bedankt voor de eer. Hij heeft er genoeg redenen voor, deels liggen die in de persoonlijke sfeer (zijn vrouw overleed in 1586) en deels in de politiek (hij had het gevoel gewantrouwd te worden wegens het verlies van Antwerpen waar hij burgemeester van was geweest). Zes jaar later krijgt Marnix weer een verzoek om bijbelvertaler te worden – nu komt het van de kant van de Staten-Generaal, de regering dus (!), waarin Johan van Oldenbarnevelt een centrale rol in speelt. De financile kant wordt op een prima manier geregeld en nu verhuist Marnix in 1595 naar de universiteitsstad Leiden om daar te werken aan de gewenste bijbelvertaling.
Maar vr hij aan dit grote karwei begint, stelt hij eerst met enkele kerkelijke vertegenwoordigers een instructie op van negen punten. Het algemene uitgangspunt vermelden we hier eerst, omdat het aangeeft op welke manier men denkt te moeten vertalen. Men streefde naar ‘ d’algemeinste, claerste ende suyverste tale’. Dat wilde dus zeggen een taalgebruik waar de gewone man ‘mee uit de voeten kan’. Marnix heeft daarbij zelf de voorkeur voor het persoonlijk voornaamwoord ‘du’, hoewel er in de kerken steeds meer gedacht wordt om het woordje ‘gij’ te gebruiken. En voor de naam van God kiest Marnix voor de weergave ‘Jehova’ (en niet: HEERE). Ook zijn Marnix en de kerkelijke vertegenwoordigers voorstanders van het plaatsen van kanttekeningen.
In de jaren tot zijn dood in 1598 heeft Marnix een aantal bijbelboeken weten te vertalen; dat betrof Genesis, een flink aantal Psalmen (Marnix’ psalmberijming was al eerder klaar gekomen), ook enkele lofzangen uit het OT, en enkele hoofdstukken uit Job, Spreuken en enkele ‘kleine profeten’. Het is niet gering dat slechts n persoon zoveel grondig werk heeft kunnen verzetten in het tijdbestek van een paar jaar. En dan te bedenken dat Marnix ook nog weer voor de politiek op reis moest om het bezit van de Oranjes in Zuid-Frankrijk (Orange) veilig te stellen. Op 15 december 1598 overlijdt hij in Leiden.
Men kan zonder meer stellen dat Marnix aan hen die het vertaalwerk later zouden voortzetten belangrijk materiaal heeft nagelaten.

Over het vervolg van de route naar de Statenvertaling hopen we de volgende keer te schrijven.

Drs. H. Veldman, Zuidhorn