ARTIKEL UIT Kerkbode








nummer


47

datum uitg.


21-nov-2008


Bezeten? - A. Bas

“Mensen die zich hiermee (met occultisme en dergelijke) inlaten, vertonen allen bepaalde kenmerken. Zij worden zich bewust van onplezierig aandoende ‘presenties’ in hun directe omgeving. Zij krijgen zenuwslopende verschijningen, nachtmerries. Zij voelen zich achtervolgd door bovennatuurlijke wezens, horen stemmen, krijgen impulsen die zij niet kunnen weerstaan, depressies, zelfmoordneigingen, onophoudelijke angsten, een innerlijke aandrang om geweld te plegen of iemand te vermoorden, stuiptrekkingen, ondraaglijke spanningen, seksuele obsessies, hysterie enzovoort.”



Komt de bezetenheid die we in de bijbel tegenkomen ook in onze tijd nog voor? En zo ja, hoe herkennen en bestrijden we die dan? Met dergelijke vragen houdt men zich vandaag de dag onder meer in de kringen van de Pinksterbeweging veel bezig. Bijvoorbeeld in het boek Woord en Geest. Hoofdlijnen van de theologie van de pinksterbeweging van Guy P. Duffield en Nathaniel M. Van Cleave, waar ook bovenstaand citaat uit afkomstig is. In dit artikel wil ik u daar wat meer van vertellen.

Bezetenheid

Komt de bezetenheid die we in de bijbel tegenkomen ook vandaag nog voor? Deze vraag wordt in het boek van Duffield en Van Cleave bevestigend beantwoord en het is interessant om te lezen welke argumenten ze daarvoor aandragen. Ze beginnen hun paragraaf over ‘demonische bezetenheid’ met voorbeelden daarvan uit de bediening van Jezus en de bediening van de vroege kerk, om vervolgens te schrijven: “er lijkt ons geen enkele reden te zijn waarom de duivel door middel van de boze geesten niet net zo actief zou zijn als in vroeger tijden”. Om dat te bewijzen, komen ze met de ervaringen van dr. John C. Nevius, die van 1854 tot 1892 presbyteriaans zendeling in China was en een zorgvuldige en onbevooroordeelde studie maakte van demonische verschijnselen in de provincie Sjantong, waaruit onomstotelijk bleek dat demonische bezetenheid ook toen nog erg veel voorkwam. Opvallend was, dat de beschrijvingen van dr. Nevius zo nauw overeenkwamen met de gevallen van demonische bezetenheid in het Nieuwe Testament.

In vergelijking met het zendingsveld komen we de verschijnselen van bezetenheid in onze westerse samenleving veel minder tegen. Duffield en Van Cleave verklaren dit, door erop te wijzen dat demonen slim genoeg zijn om zich aan te passen aan het culturele klimaat van een bepaalde tijd of plaats. “In een hoogontwikkelde cultuur verhullen zij de grovere aspecten van hun werk. Zij kunnen zich niet alleen voordoen als een ‘briesende leeuw’ (1 Petr. 5:8), maar evengoed als ‘een engel van het licht’ (2 Kor. 11:14)”. Desondanks komt het ook vandaag nog voor - en zelfs in toenemende mate - want er is een groeiende belangstelling voor het occultisme, voor spiritisme, satanisme en zwarte magie. Met als gevolg de symptomen die in het citaat aan het begin van dit artikel beschreven zijn.

De vraag die deze redenering oplevert, is of het aangevoerde ‘bewijs’ wel zo steekhoudend is. Want als we dezelfde symptomen tegenkomen als in bijbelse beschrijvingen van bezetenheid, betekent dat dan ook altijd dat die ook dezelfde bron hebben? Een vraag die nog sterker wordt, als er ook symptomen worden genoemd die zo in de bijbel niet genoemd worden. Concreet: het ‘horen van stemmen’ wordt door Duffield en Van Cleave aangewezen als symptoom van demonische werking, maar is ook een bekend symptoom van psychische ziekte. En met welke van de twee heb je in concrete gevallen dan te maken? Een nog niet zo makkelijk probleem, waar in het boek gelukkig ook oog voor is. Veel waarde wordt daarbij met een beroep op 1 Korinte 12:10 toegekend aan de geestesgave om ‘de geesten te onderscheiden’, maar de vraag is of het daar werkelijk wel gaat om het onderscheiden van boze geesten in de zin van demonen. Zo spreekt de Nieuwe Bijbelvertaling over de gave “om te onderscheiden wat wel en niet van de Geest afkomstig is”.

Uitdrijving

Als de bezetenheid die we in de bijbel tegenkomen ook vandaag de dag nog voorkomt, hoe is die dan te bestrijden? Bij de beantwoording van deze vraag wordt in het boek van Duffield en Van Cleave gesteld dat als we in ons christelijk werk geen demonen uitdrijven, dat niet noodzakelijk een kwestie van falen hoeft te zijn. Toch neemt dat niet weg dat Jezus er in het kader van de evangelieopdracht op aandringt demonen uit te drijven. Gewezen wordt op Marcus 16:15-20, Lucas 9:1 en 2, 10:1 en 17 en Matteüs 10:8. Tegelijk wordt geconstateerd, “dat hierover niets wordt gezegd in het evangelie naar Johannes of in enige apostolische brief, hoewel daarin vaak genoeg staat dat wij de verkondiging van het evangelie ter harte moeten nemen. Jezus ‘werd geopenbaard om de werken van de duivel te verbreken’ (1 Joh. 3:8). Hij ‘ging rond, weldoende, en genezende allen die door de duivel waren overweldigd’ (Hand. 10:38). Hetzelfde behoren ook wij te doen.”

Een belangrijk probleem bij de gehoorzaamheid aan deze roeping is echter, dat het Nieuwe Testament ons geen bijzondere instructies geeft om om te gaan met onreine geesten. In het boek van Duffield en Van Cleave wordt dit ondervangen, door af te gaan op het voorbeeld van Christus en de apostelen. Daaruit wordt afgeleid dat de naam van Jezus het voornaamste geheim is, maar deze niet als een magische formule moet worden gebruikt. De kracht ligt namelijk niet in de formule, maar in de aanwezigheid van Jezus in het leven van degene die de demonen uitdrijft. Die moet een ware vertegenwoordiger van Christus zijn, “in Christus zijn” en zich aan diens gezag onderwerpen. Ook voor het overige is de precieze methode niet zo belangrijk: “als de precieze methode wel belangrijk was, dan zou de Bijbel ons wel voorbeelden of aanwijzingen in die richting hebben gegeven.”

De bijbel spreekt niet over de precieze methode van uitdrijving, evenmin als dat die spreekt van het ophoesten of uitspuwen van demonen. Wat wel van belang wordt geacht, is dat uitdrijving gepaard gaat met schuldbelijdenis. Want in de meeste gevallen vormt zonde een invalspoort voor demonen en als de zonde dan niet wordt weggedaan zal de duivel terugkeren met meer personen dan hij vertrok. Ook de kracht van Gods Woord moet niet onderschat worden. “De prediking van het evangelie is bevrijding, want het evangelie is de kracht Gods tot ‘behoud’ (bevrijding). Vaak komt het voor dat bij een krachtige bekering het woord van God de macht van satan in iemands leven opeens en volkomen breekt. Het zou absurd zijn te denken dat iemand na een krachtige bekering nog wel eens demonen in zijn hart zou kunnen hebben. Kan iemand door geloof behouden en verlost worden en vervolgens nog een tweede ervaring nodig hebben om hem van satan te verlossen? Waarvan is hij bij de eerste gelegenheid dan verlost?”

Het slot van de redenering levert de vraag op, of het niet voor de hand ligt om dáár te beginnen en vervolgens terug te redeneren. Met andere woorden: zou het niet zo kunnen zijn dat als iemand door de prediking tot geloof komt, daarmee de macht van de duivel in zijn leven is gebroken? En we dáárom in het Nieuwe Testament ook zo weinig instructies tegenkomen voor het ‘hoe’ van een aparte dienst der bevrijding? Omdat de Heiland ons immers al de opdracht heeft gegeven om de wereld in te gaan en daar het woord te verkondigen? Het opvallende is, dat Duffield en Van Cleave zelf in het vervolg van hun boek argumenten aandragen om deze stelling mee te onderbouwen.

Verlost

De paragraaf ‘De christen en demonische bezetenheid’ begint met een sterke nadruk op de verlossing in Christus. “Hoewel we onze ogen beslist niet moeten sluiten voor de aanwezigheid en de macht van demonische krachten in de wereld en ook zeker niet onkundig zijn van satans plannen (2 Kor. 2:11), mogen we de geweldige verlossing en bevrijding die God voor ons in Christus Jezus tot stand heeft gebracht, niet onderschatten. De gelovige mag zich steeds weer realiseren dat Christus ‘de overheden en machten openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd heeft’ (Kol. 2:15). In het vervolg wordt dat nog nader onderbouwd, onder meer met een verwijzing naar Kolossenzen 1:13 waar als uitwerking van het evangelie van de Heer wordt aangewezen dat Hij ‘ons verlost uit de macht der duisternis en ons overbrengt in het Koninkrijk van zijn geliefde Zoon’. Ook wordt gewezen op 1 Johannes 5:18, waar gezegd wordt dat wanneer iemand uit God geboren is, ‘de boze geen vat op hem heeft’. En het woord van Paulus, die in 2 Timoteüs 2:25v zegt dat als iemand ‘tot erkentenis van de waarheid komt’, hij ‘loskomt uit de strik van de duivel, die hem gevangen hield’.

Voor mij versterkt dit de vraag, die ik hierboven al stelde. Namelijk of het niet voor de hand ligt om met een beroep op teksten als 2 Timoteüs 2:25v en 1 Johannes 5:18 te stellen dat als iemand oprecht gelooft in het gepredikte woord de macht van de satan in zijn leven gebroken is. En er wat dat betreft een parallel te trekken is met de zonde, waarvan de Dordtse Leerregels V, 1 zeggen: “degenen die God naar zijn voornemen roept tot de gemeenschap met zijn Zoon, onze Here Jezus Christus, en door de Heilige Geest opnieuw geboren doet worden, verlost Hij wel van de tirannie en slavernij van de zonde. Maar Hij verlost hen in dit leven niet helemaal van het vlees en het lichaam der zonde.” Oftewel: nog wel aanvallen van de duivel, maar geen bezetenheid en demonische bindingen meer.

Kornhorn, ds. A. Bas