ARTIKEL UIT Kerkbode








nummer


48

datum uitg.


21-DEC-2007


Het wonder van de geboorte van Jezus Christus - J.T. Oldenhuis

Kerstfeest is een moeilijk feest.
Het spreekt velen aan.



Het is mooi en vredig: het gaat om een kind dat geboren is. Daar kun je mooi over zingen en boeiend van vertellen. Maar er is iets met dat kind. Je kunt nooit in n zin zeggen, wat er met hem is. Je moet over hem altijd met twee woorden spreken. Hij was n van ons, maar daarmee is niet alles gezegd. Het is ook een huiveringwekkend feest. Denk alleen maar aan de kinderen die er het leven bij gelaten hebben in Bethlehem.
Wie is Jezus? Wat is er over hem gezegd? Hoe wordt er over hem gedacht? Wat doen we met het Kerstfeest? Wat zeggen wij?
Wat zingen wij? Wat is de kern van het Kerstfeest?

In de maand december komt Sinterklaas. En daarna worden de bordjes verhangen. Dan komen de engeltjes door het luchtruim zweven en gaan de klanken van ‘Stille nacht, heilige nacht’ het ene oor in en het andere weer uit. In de winkelstraten worden we opgeroepen op de klanken van de Cambridge singers om ons te verwonderen over een kind dat ditmaal in ons hart zou moeten komen. We moeten buigen over een kribbe in een stal, waarbij we de os en de ezel hebben neergezet om vredig toe te kijken, terwijl een oude, (waarom eigenlijk oude?) Jozef, naar een kind staat te kijken dat in de armen van zijn jonge vrouw ligt.

Krottenwijk
En de wereld om ons heen stinkt. We hebben er even de neus voor dichtgeknepen om weg te dromen in liefelijke taferelen die geen hogere waarde hebben dan het sprookje van de Moeder de Gans. Dwars daartussen door wordt het ‘Ere zij God’ liefst hardop en luidkeels gezongen, de kelen worden schor geschreeuwd op het domme ritme ‘in den hoge, in den hoge, in den h-ge’. We laten wijzen uit het Oosten als wonderlijke sinjeuren op hun onwerkelijke kamelen binnenrijden en daarna komen de soldaten van Herodes en ze maaien alles weg, ze slaan alles aan flarden, letterlijk aan flarden van vlees en bloed. Heel die ijle, zoete, zachte sfeer van het kindje in de kribbe met een flonkerende ster erboven en kaarsen eromheen spat uiteen als een zeepbel. Hun sporen zijn bloed en dood en nameloos, nooit meer gestelpt verdriet om kinderen die niet geboren hadden moeten worden, omdat ze binnen een paar dagen, maanden of jaren afgeslacht zijn in de armen van hun moeders. De wereld is een krottenwijk. De wereld stinkt. Je kunt er je neus niet meer voor dichtknijpen. De walm slaat je tegemoet. Van Darfur, van Centraal-Afrika, van Afghanistan, van het nooit opgehouden gemartel in de gevangenissen der aarde en net zo goed van New York en Washington als van Amsterdam of Pieterburen. De krottenwijk waarin wij leven…

In een krottenwijk
wordt geleefd,
geliefd,geloofd, geleden.
Er wordt gelachen en nog meer gehuild.
Er wordt geboren en nog meer gestorven.
Er wordt gezongen en nog meer gejammerd.
Er zijn illusies en nog vele malen meer desillusies.

En toch
raakt de vlam van de hoop nooit volledig uitgedoofd,
blijft het verlangen dat het eens anders, beter, stralender wordt,
blijft de hunkering naar het leven zoals het zou moeten zijn.

Een krottenwijk
is een goede metafoor voor
menselijk lijden en menselijk tekort
kortom: voor menselijk bestaan.
Het is niet zoals het zou moeten zijn;
het wordt gekneusd, geschonden, verscheurd, vertrapt, begraven;
de lach besterft op je gezicht,
als weer een kind gedood of seksueel misbruikt wordt
of als je te horen krijgt dat je keelkanker hebt.

En toch
is er, onverwoestbaar, die hoop dat het zo niet blijft,
dat er meer moet zijn dan een bestaan ten dode,
dat er nu al een oor is dat naar je luistert,
een hart dat voor je openstaat,
een hand die je leidt
en dat er daarom ook, in plaats van een krot,
een eeuwig huis voor jou zal zijn.

Uit: Meint R. van den Berg, Krottenwijk

Het wonder

En toch… En toch…
In die krottenwijk is een mens geboren, dat ene mensje, een klein jongetje, ergens achteraf, in een stal, omdat voor hem geen plaats was in het hotel aan de voorkant. Daar is het gebeurd wat het meest menselijke is aan mensen, omdat ze het allemaal gemeen hebben, hoe rijk of arm, verschopt of verhoogd, intelligent of dom ze ooit ook mogen worden: de geboorte. Een moeder die droeg en steunde en met pijn een kind ter wereld perste. Een moeder met een kind. Zo gewoon, zo heel vreselijk gewoon, zoals het is geweest, is en zal zijn, overal en altijd. Zo zijn alle mensen geboren in de woestijnen van de Sahara, in de wouden van de Amazone, in de krochten van Calcutta en de paleizen der koningen. Een mens begint als mensje in de armen van zijn moeder. Maar dit is een kind, waarop de wereld niet heeft gewacht. Het was niet ‘wellekom’. Het werd opgewacht door een horde draken die kleine kinderen in moeders armen hebben vermoord om maar de zekerheid te hebben dat ook zijn kleine leven in de kiem was gesmoord. Wat maakte het ook helemaal uit, dat een paar kinderen meer met hem over de kling werden gejaagd, als dat kleine jong van David maar afgemaakt was…
Niemand heeft naar hem omgekeken. Weggebracht is hij naar het land van de verdrukking, Egypte. LICHT der wereld is het genoemd, stralende opgang uit de hoge. De verpletterende glans van de majesteit van God is buiten in het veld verschenen toen zijn geboortekaartje werd gelezen aan herders die zich lam zijn geschrokken. En pal daaroverheen is er die nacht een geweld losgebarsten boven dat kleine dorp, waar elk modern vuurwerk bij verbleekt. De hele lucht vulde zich met de proclamatie van Gods majesteit. Ontzagwekkend moet dat geweest zijn en het was echt iets anders dan wat het versje zegt over engeltjes die door het luchtruim zweefden. Nota bene! En werd toen al niet duidelijk wat eeuwen later zo schoon is verwoord?

Ziet hoe dat men met hem handelt,
hoe men hem in doeken bindt,
die met zijne godheid wandelt
op de vleugels van de wind.
Ziet hoe ligt Hij hier in lijden
zonder teken van verstand,
die de hemel moet verblijden,
die de kroon der wijsheid spant.
Ziet hoe tere is de Here,
die ’t al draagt in zijne hand.

Oud Nederlands Lied, opgenomen in LB 139

Zijn ‘vader’

D’r stond ook een man bij, Jozef. Dat moest toch wel de vader zijn. Hij stond wat terzijde. Maar hij stond er wel. Hij kende zijn plaats. Want hij was opgeroepen om het kind uit de schoot van zijn geliefde aan te nemen. Ja, daar stond hij, Jozef, de dorpstimmerman uit Nazareth en telg uit het koningshuis van David. Juist omdat hij dat laatste was, moest hij zich in Bethlehem melden. En nu moest hij als vader optreden, maar hij wist, dat hij de vader niet was. Er was helemaal geen vader zoals ieder kind een vader heeft. Deze geboorte was het grootste wonder in de rijen der mensen. Een echt kind, geboren uit zijn Maria, maar geen product van de wil van een man, geen prestatie van het vlees en toch vlees, zo echt als de melk die het dronk aan de borst van zijn moeder. Het allergrootste wonder dat in geen woorden kan worden ingepakt, omdat het de orde der geschapen dingen doorbreekt. Een wonder is tenslotte onvertaalbaar. Dit kind is geboren n tegelijk zelf gekomen. Hij is gegeven n geeft zichzelf. Hier wordt de geest van eerbied stil. Aanbidt het maar doorgrondt het niet. Een kind dat ter wereld wordt gebracht en zelf komt. Dat is niet normaal. Dat kan geen mens van zichzelf zeggen. Daar lag dat kereltje nu en Jozef keek ernaar: daarvoor was hij dus teruggetreden. Voor het wonder van het kind van zijn geliefde was hij opzij gegaan. Hij had zijn onwaardigheid gevoeld, beleden en geaccepteerd. Hij, de Jozef die zoveel van zijn Maria gehouden moet hebben. Koningsbloed in zijn lijf, een vent om op te bouwen. Rechtschapen, betrouwbaar, eerlijk en zuiver. Toch weggezet, helemaal weggeschoven, aan de kant ermee. Niks meer David en niks meer eigen prestatie, dit kind is het zijne niet, al moet hij het adopteren, het is het bewijs van zijn onmacht, van de onmacht van het ‘vlees’. Daar heeft hij gestaan terzijde, als n van ons. De vertegenwoordiger van David, de vertegenwoordiger van Abraham. De vertegenwoordiger van heel het Joodse volk. Dat brengt tenslotte de Messias niet voort. De vertegenwoordiger van de mensheid: niemand van ons brengt de verlosser voort. Wij allen, Jood en Griek, worden terzijde geschoven, aan de kant gezet, onmachtig verklaard. Dit kind kun je alleen maar aannemen uit de handen van God. Dat geldt voor Jozef, voor David, voor iedere Jood, voor ieder mens. En wie dat niet wil, heeft niets.

Dit kind koos ons slechte bloed.
Dit kind maakt de zieke wereld beter.
Tot wie Hem eerbiedig groet
zegt Hij - en nu klinkt het zoet:
Kind, so long, I’ll see you later.

Uit: Dingeman van der Stoep, Dit Kind

Zijn moeder

Hij is een wonder. Niet maar een wonder geworden, maar geweest vanaf het eerste begin. Dat heeft zijn moeder geweten vanaf het uur van de ontvangenis. Toen begreep ze het al: als Gabril met zijn boodschap bij haar komt in de tijd dat ze nog in ondertrouw is, dan is het duidelijk dat haar Jozef niet de vader zal zijn. Anders had God wel een ander tijdstip gekozen. Simpel was haar vraag: “Hoe zal dat gebeuren? Ik heb immers nog nooit gemeenschap met een man gehad.” Groots was het antwoord. En wie kan er ooit nog meer van zeggen dan toen is geschied?

…Wees niet bevreesd,
want God bemint u allermeest:
van alle vrouwen groot en klein
zult gij het meest gezegend zijn;
gij krijgt een kind, een koningszoon,
die heersen zal op Davids troon.

Maria zat en hoorde toe,
het werd haar wonderlijk te moe.
Ze sprak de engel schuchter aan
en heeft hem deze vraag gedaan:
- haar woorden zongen als een lied -
Hoe zal dat zijn, ik vat het niet;
ik ben niet eens getrouwd, mijn heer.
Toen sprak de witte engel weer.
Hij heeft haar ’t wonder uitgelegd.
Dit is het wat hij heeft gezegd:
De Heilige Geest heeft U bemind;
God is de vader van uw kind.

Toen boog Maria ’t kleine hoofd,
ze heeft het wonder Gods geloofd,
zij sprak: - en staakte elk verweer -
Ik ben de dienstmaagd van de Heer.

Uit: Dingeman van der Stoep, Dit Kind

De vrome belijdenis van het grootste wonder

Het heeft de geesten beziggehouden. Uiteraard, het is het eerste grote strijdpunt geworden in de eerste eeuwen van de kerk. Dat was te verwachten. Want hoe kon dat: een mens, die geboren wordt en opgroeit en leeft en slaapt en eet en sterft en die tegelijk Zoon van God is en zelf God is. Is dat geen bedenksel? Is dat niet iets dat men uit pure verering er later van heeft gemaakt? Want als dit waar is, dan is het uniek, God bij de mensen, mensen die wandelen met God, hier al op aarde, temidden van alles dat wankelt en wijkt. Dat is zo onmogelijk als de kwadratuur van de cirkel. Het is een verbinding van God en mens die alle speculatie te boven gaat. En alle verbeelding tart.

Er zijn eeuwen van strijd overheen gegaan: de kerk heeft op haar fundamenten geschud. Hem belijden zoals hij is, betekent eigen onmacht erkennen, naast Jozef gaan staan en erkennen dat het ‘vlees’ niet door ‘vlees’ verlost kan worden en dat een mens van zichzelf niet kan wandelen met God. Het betekent de volstrekte afhankelijkheid van deze Ene, die van boven gekomen is en niet uit mensen is voortgekomen. Hoe hoog men hem ook verheft, als daar niet de erkenning van zijn Goddelijkheid bij komt, dan is het altijd te weinig. Dan wordt hij n van ons, misschien wel de beste van ons, de hoogste en de meest verhevene, maar altijd slechts n van ons en meer niet. En dan is hij tenslotte toch nog altijd onze prestatie, en is alles wat hij doet tenslotte toch de verdienste van het menselijk ‘vlees’. Daar zit de kern van de ketterij die altijd levend gebleven is. Het is het verzet van het ‘vlees’, de wrevel over de totale afhankelijkheid en de aversie tegen de volstrekte overgave. Knielen wij echt bij de kribbe neer, of buigen wij ons er tenslotte overheen? Dat laatste is de kern van het het Arianisme, het remonstrantisme, het modernisme: het is het altijd gebleven verzet tegen het oordeel dat ook in zijn komst besloten ligt. En dat verzet begint altijd met de ontkenning van het wonder van zijn geboorte. En toen heeft de kerk het uitgesproken in formules en in belijdenisgeschriften. Heel vroeg al. Het was de neerslag van onnoemelijk veel strijd in simpele woorden die in al hun massiviteit het wonder laten staan dat onvertaalbaar is.

Wij geloven in n Here Jezus Christus, de eniggeboren Zoon van God, geboren uit de Vader vr alle eeuwen, God uit God, Licht uit Licht, waarachtig God uit waarachtig God, geboren, niet geschapen, n van wezen met de Vader; door hem zijn alle dingen geworden.

Uit: Geloofsbelijdenis van Nicea

Eeuwig behoud

Maar daarmee was de strijd in de volgende eeuwen nog niet beslist. Was het wonder ook niet haast te groot? En mens en twee naturen. Hoe is dat? En had dat ook niet alles te maken met de verhoudingen van de Vader en de Zoon en de Heilige Geest? En wie kan dat dan bevatten: n God en drie Personen? Het is indrukwekkend om te lezen hoe de kerk in die eerste eeuwen daarmee heeft geworsteld. Al die namen die dan de revue passeren. Marcion, Mani, Praxeas, Sabellius, Paulus van Samosata, e.d.
Misschien rolden ze vroeger nog een keer over een preekstoel als er over het leerstuk van de Drie-eenheid werd gepreekt en de dominee het bestond om artikel 9 van de Nederlandse Geloofsbelijdenis er bij te lezen. Maar wie de moeite nam om er eens verder naar te vragen, kon daarin vernemen de neerslag van die hele eeuwenlange, felle en vrome strijd om het geheim van Kerst te bewaren en het in alle simpele zuiverheid door te geven. En er is n belijdenisgeschrift, waarin dat alles zijn afsluiting vond, dat merkwaardige document dat genoemd is naar de grote Athanasius. Als het nog eens geciteerd werd, dan klonken de woorden van zo ver. Gestolde vroomheid is het, die het wonder wil vasthouden, waarvan het eeuwig behoud afhankelijk is, ook al is het niets anders dan een stamelende herhaling van wat onbegrepen is en nooit begrepen kan worden!

Het is voor het eeuwig behoud noodzakelijk dat een mens ook de vleeswording van onze Heer Jezus Christus oprecht gelooft. Het ware geloof nu is, dat wij geloven en belijden dat onze Heer Jezus Christus Gods Zoon, God en mens is. God is Hij uit het wezen van de Vader, voortgebracht vr de tijden, mens is Hij uit het wezen van zijn moeder, geboren in de tijd, volkomen God en volkomen mens, met een menselijke ziel en een menselijk lichaam; gelijk aan de Vader naar zijn goddelijke natuur, minder dan de Vader naar zijn menselijke natuur. En hoewel Hij God en mens is, is Hij toch niet twee, maar n Christus. En is Hij, echter niet doordat zijn goddelijke natuur in de menselijke veranderde, maar doordat Hij als God de menselijke natuur aannam. En is Hij, volstrekt niet door vermenging van naturen, maar door eenheid van Persoon. Want zoals ziel en lichaam n mens zijn, zo zijn God en mens n in Christus.

Dit is het algemeen geloof. Wie dit niet oprecht en standvastig gelooft, zal niet behouden kunnen worden.

Uit: Geloofsbelijdenis van Athanasius

En daarmee is alles gezegd.

Hij was n van ons

In 1974 verscheen het schitterende prentenboek over het leven van Jezus van de begenadigde schilder Rien Poortvliet onder de titel Hij was n van ons. Het beleefde sindsdien vele herdrukken en het is nog altijd verkrijgbaar in elke boekhandel. In al zijn menselijkheid is Jezus uitgetekend. Met alle mensen om hem heen. Echte mensen, zonder aureool en zonder de glans van de onwerkelijkheid, die zovele platen en plaatjes heeft gekarakteriseerd. Maria, zoals zij de verte heeft in gestaard, denkend aan het wonder dat haar is verteld. Jozef, zoals hij heeft liggen woelen op zijn bed, begrijpend, dat zijn geliefde Maria voor hem nu toch onbereikbaar was geworden. Elisabeth, de vrouw op leeftijd die, heel duidelijk zwanger, haar nicht in de armen sluit. Allemaal zo echt, zo ontdaan van alle sprookjessfeer. En dan dat schuurtje ergens achteraf, waar Jezus geboren is. En de schrik op het gezicht van die kerels, die in de nacht het licht van Gods majesteit hebben gezien! En verder Jezus, als het kleine kind dat over de grond gekropen heeft en die later als jongen het vak van timmerman heeft moeten leren, met een lach op zijn gezicht aan de werkbank. En dan noem ik nog maar niet eens de tekening van de kruisiging: die ene spijker die door zijn hand wordt gedreven en dat ene kind dat op de arm van zijn moeder temidden van al die schreeuwende en tierende mensen naar het kruis kijkt. Ik heb zo vaak in dat boek gebladerd. En ik heb me er zo vaak door laten inspireren. Hij was n van ons, ja, helemaal. Die echtheid kan niet voldoende worden benadrukt.

En toen las ik op een goede dag de inleidende woorden van Hans Bouma, voorin dat boek:

Wat is het typerende van Jezus? Het is verleidelijk Hem vast te pinnen op zijn goddelijkheid. Zo bewaar je de afstand. Hij moet tenslotte een beetje uit de buurt blijven. Hoe goddelijker, hoe ontoegankelijker. Al te menselijk is maar riskant. En het klopt toch? Jezus heet toch niet voor niets ‘Zoon van God’? Inderdaad, maar niet bij voorbaat. Hij krijgt deze titel pas naderhand. Hij moet het er eerst naar maken. Het gaat allemaal niet zomaar. Het is de mns Jezus, met wie de Evangelin zo weglopen. Jezus komt er op te staan als het toppunt van humaniteit.

Hij was n van ons. Hij is de enige ware mens, die overblijft… Hij is pas gelukkig, wanneer wij zijn manier van leven hebben overgenomen, zodat ook wij, eindelijk, als ‘zonen van God’ voor de dag komen: mensen die er zijn mogen.

Hans Bouma, Hij doet wat niemand doet, in ‘Hij was n van ons’

Gebeurt daar nu niet heel subtiel wat eigenlijk neerkomt op het ontkennen van het wonder van de geboorte van Jezus, de ontkenning van het geheim van zijn leven? Is dat nu niet net precies wat die oude belijdenissen hebben willen afwijzen? Als er niet bij voorbaat over Jezus gezegd kan worden, dat hij de Zoon van God was, als dat een titel is die hij pas naderhand krijgt, als hij het er eerst naar moet maken en als dat iets is, waardoor hij zo op een afstand wordt gezet, dan blijft tenslotte alleen maar over dat hij n van ons was en meer niet. Dat kun je dan schitterend uittekenen, hem uittekenen in al zijn echte menselijkheid, die ontroert en die hem zo dichtbij brengt. En van ons, jazeker. En alles wat er dan getekend wordt, is waar en echt en goed. Maar je hoeft dan nooit meer met twee woorden over hem te spreken. Hij is zozeer n van ons geworden dat hij n met ons geworden is. Eigenlijk is het wonder van zijn geboorte verdampt. Maar dan smelt ook de reden tot de diepe verwondering weg. Die reden betreft nu juist het feit, dat hij van de Vader kwam en zijn gelijkheid aan God niet heeft vastgehouden, maar er afstand van deed: dat hij die rijk was, arm werd om ons in onze armoede rijk te maken. Hij kwam in de wereld die een krottenwijk was geworden om ons daar de zekerheid te geven.

onverwoestbaar, dat het zo niet zal blijven,
dat er meer is dan een bestaan ten dode,
en dat er daarom ook, in plaats van een krot,
een eeuwig huis zal zijn.

Jauchzet, Frohlocket

Pas als het wonder van zijn geboorte beleefd wordt, breekt de jubel los. Maar dan ook geweldig: Jauchzet, Frohlocket! Het zijn de woorden van het openingskoor van de cantate die Bach voor de Kerstdag bestemde. Overstelpend is wat er los komt. De paukenslagen kondigen het einde van het duister aan: dreunend en dwingend is het ritme. Aan al de onzekerheid is een einde gekomen. De nieuwe tijd is niet meer te stuiten: slaat op de trom! Het is ongehoord wat er gaat gebeuren: in geen hart opgekomen, door geen oor gehoord, het gaat alle voorstellingsvermogen te boven. Dat is het wonder van Kerst, dat onvertaalbaar is. Nu breekt de jubel los. Midden in deze verziekte wereld. Toch. Er is een nieuwe tijd begonnen. Het wonder van de geboorte van Jezus Christus is het begin. Laat het klinken over de wereld. En laat alles meeklinken: de strijkers, de hobo’s, de fluiten en daarbovenuit de trompet die met zijn swingende figuren het signaal geeft dat de nieuwe tijd is begonnen! En dan barst het los.

Jauchzet, frohlocket
Auf! Preiset die Tage
Rhmet, was heute der Hchste getan!
Lasset das Zagen, verbannet die Klage,
Stimmt vol Jauchzen und Frhlickeit an.
Dienet dem Hchsten mit herrlichen Chren
Lasst uns den Nahmen des Herrschers verehren!

Openingskoor Joh. Seb. Bach, Weihnachtsoratorium, BWV 248

Het houdt niet op, het klinkt en klatert en schalt en schettert. Het is de diepe vreugde die van de wereld bezit moet nemen omdat het wonder is geschied, dat God bij de mensen is gekomen. En weer klinkt het als een zweepslag: Jauchzet. De vreugde neemt ieder mee in een onweerstaanbaar ritme, dat danst en swingt. Hebben ze er wel stil bij kunnen zitten in de kerk toen deze klanken klonken? Ja, dat heeft ooit geklonken in een kerkdienst!

Kerstfeest is het grootste feest.

J.T. Oldenhuis