ARTIKEL UIT Kerkbode








nummer


11

datum uitg.


18-MRT-2005


Op weg naar een echte Gezangenbundel - T.S. Huttenga

Waarheen?

De synode van Amersfoort nadert met rasse schreden. Daar zal het ook weer over de gezangen gaan. Waar gaat het met die gezangen naartoe? Hoe groot wordt de nieuwe bundel? Krijgen we wel een eigen bundel of stappen we in bij ‘Liedboek 2000?’ Wat gebeurt er met de gezangen, die worden vrijgegeven in Amersfoort? Duidelijke vragen en er zijn er vast nog wel meer.


Proces

Laten we ons wat deze materie betreft goed realiseren, dat we in een proces zitten.
Dit proces is ingezet op de synode van Ommen 1993. Die synode gaf opdracht om onderzoek te doen naar de wenselijkheid en mogelijkheid van uitbreiding van de gezangenbundel.
Twee redenen werden genoemd:
a) van de schat aan geestelijke liederen met Schriftuurlijke inhoud die in de loop van de kerkgeschiedenis is ontstaan of nog steeds ontstaat, zou in onze gezangenbundel meer gebruik gemaakt kunnen worden;
b) het ontbreekt in de gezangenbundel aan liederen die speciaal gemaakt zijn met het oog op het amen van de gemeente, de doop, de openbare geloofsbelijdenis, het avondmaal, het huwelijk en de bevestiging in het ambt.
Daarna zette de synode van Berkel in 1996 een beslissende stap. Zij stelde een nieuw deputaatschap in; het deputaatschap Kerkmuziek. Deze deputaten moesten in samenwerking met deputaten generaal-synodale publicaties zorg dragen voor de uitgave van een nieuwe gezangenbundel als een bundel in wording.
Intussen bevinden we ons in een duidelijk traject. Tot nu toe zijn 117 liederen uit het liedboek in tweede lezing, dus definitief, goedgekeurd. Daarnaast is de bundel ‘Negentig Gezangen’ verschenen. Verder gaf de synode van Zuidhorn aan deputaten de opdracht om 120 liederen aan te bieden, 60 uit het Liedboek, 30 uit eigen kring en 30 uit andere bronnen. Zuidhorn gaf aan, dat na Amersfoort op dezelfde manier moet worden verder gewerkt.
Zodoende krijgen we al antwoord op ÚÚn vraag, nl. hoe groot de nieuwe bundel wordt. We komen dus in ieder geval op zo’n 440 liederen. Als de synodes ook nog tegemoet komen aan een paar wensen van deputaten, nl. o.a. om ook die liederen uit het Liedboek vrij te geven waar niet echt bezwaar tegen is, komen we nog iets hoger uit, zeg maar zo’n 500.
Maar als niet alles van de lijst in de bundel komt, kan dit aantal ook weer minder zijn.

Lukt het toetsen wel?

Inmiddels geven enkele kerken aan, dat ze het zo wel genoeg vinden. Ruim tweehonderd nieuwe liederen (117 + 90): meer hoeft van hen niet. Daar komt bij, dat zij zich er niet toe in staat achten om alle nieuwe liederen die nog worden voorgesteld te toetsen.
Ik kan me hier iets bij voorstellen. In het toetsen van liederen kan heel veel tijd gaan zitten. Als leden van de liturgiecommissie bestudeer je ze; als commissie vergader je erover; dan moet er een rapport worden gemaakt voor de kerkenraad; op de kerkenraad wordt dat besproken; er wordt geschaafd aan het eerste rapport en er wordt een definitief rapport voor de synode gemaakt.
Evenwel is er wat het toetsen van nieuwe gezangen betreft sinds de synode van Leusden iets veranderd. Berkel 1996 bepaalde nog, dat de kerken en hun leden moeten worden aangespoord om voorgestelde gezangen op hun bruikbaarheid voor de eredienst te toetsen.
In de Acta van Leusden 1999 (Acta Artikel 60) vinden wij deze uitspraak niet terug. Wel - en dat ligt ook voor de hand - dat kerken en kerkleden vˇˇr een synode kunnen reageren op voorgestelde liederen, en dat kerken, als zij dat nodig vinden, na een synode bezwaren kunnen inzenden tegen liederen die door de laatste synode zijn vrijgegeven. De oproep tot algemene toetsing is dus vervallen.
In de gronden bij dit besluit van Leusden is duidelijk waarom.

“Het is de hoofdtaak van deputaten om liederen te selecteren die in de eredienst
gebruikt kunnen worden. Door aan de kerken te rapporteren welke algemene werk-
afspraken ze hebben gehanteerd, geven deputaten zicht op hun werkwijze.
Daarmee bevorderen ze dat kerken en kerkleden vooral reageren op de hoofdlijnen
van hun werk.”

Eigenlijk is dat ook wel logisch. Want waarom hebben wij als kerken een kerkverband? Om met elkaar dingen te kunnen doen waar je als plaatselijke kerk alleen nooit aan zou kunnen beginnen. Een aantal dingen doen we samen. Dat betekent, dat we elkaar aanvullen en niet dat de we allemaal hetzelfde doen.
Er zijn deputaten, die zorgvuldig worden benoemd. Ze werken met criteria, die door de synode zijn vastgesteld. Hun werk wordt gecontroleerd door een synode. Achteraf is er ook nog de mogelijkheid om deze synode te corrigeren. En als aan de ene kerk een overgebleven fout niet is opgevallen, dan is er vast wel een andere gemeente die het gezien heeft.
Moet het nog nauwkeuriger? ‘Leusden’ vond van niet. En in de Acta van Zuidhorn heb ik geen bezwaar tegen dÚze uitspraak kunnen vinden.
Trouwens: met andere besluiten gaat het toch ook zo? Deputaten Buitenlandse Kerken bijvoorbeeld treden op namens de Gereformeerde Kerken (vrijgemaakt) in Nederland. Maar alle besluiten daarover worden echt niet door alle GKv-kerken zorgvuldig nagegaan. De ene gemeente heeft hiervoor gaven, de andere daarvoor. We hebben elkaar ook als kerken niet voor niets.
Vandaar mijn oproep: heb vertrouwen!

Als je iets doet, doe het goed.

Is een bundel van 400 Ó 500 liederen toch niet te dik?
Mijns inziens gaat het om een andere vraag: a) mogen we in de kerk vrije liederen zingen, of b) moeten we ons beperken tot liederen die ontleend zijn aan poŰtische gedeelten van de Schrift?
Het argument dat voor b werd en wordt aangevoerd is bekend: de Schrift is ge´nspireerd. Als je daar heel dichtbij aansluit, loop je het minste risico fouten te maken.
U kent waarschijnlijk ook de geschiedenis wel. Lange tijd volgde men spoor b. Naast de 150 Psalmen werden een paar gezangen gezongen, maar dat waren dan ook berijmde Schriftgedeelten, zoals de lofzangen van Maria, Zacharias en Simeon.
Een wending kwam in 1930. De synode besloot de gezangbundel uit te breiden. We kregen de 29 ‘Enige Gezangen’. Na de synode van Heemse 1984/1985 werden het er 41. Inmiddels zitten we dus op 207 en als we daar die andere 41 bij optellen, komen we dichtbij de 250. Het is ook wel logisch, dat dit zo gaat. Als eenmaal, met name rond 1930, duidelijk is, dat de zg. vrije liederen ook mogen worden gezongen, kunnen er alleen praktische redenen zijn om het aantal daarvan te beperken.
Vˇˇr de zg. vrije liederen kunnen de volgende argumenten worden genoemd:
1. zo vrij zijn ze ook weer niet. Ze zijn gemaakt vanuit het geloof, in overeenstemming met de Schrift en zorgvuldig geselecteerd (de Catechismus en de liturgische formulieren zijn ook niet ge´nspireerd);
2. in de praktijk gaat het argument van de inspiratie van de Psalmen nauwelijks op. We zingen berijmde Psalmen en daarvan vaak ook verspreid liggende verzen;
3. ook binnen het Nieuwe Testament zullen ‘vrije liederen’ zijn gezongen. Vgl. 1 Kor. 14:26 (psalm betekent daar ‘lied’); Ef. 5:19; Col. 3:16).

Als deputaten willen wij ons werk graag goed doen. Dit betekent dat wij streven naar een bundel, waarmee ons hele kerkverband goed uit de voeten kan. Dat wil dus ook zeggen dat er niet te weinig in mag staan. Uit een dikke bundel hoef je niet alles te zingen, maar aan een dunne bundel kun je maar zo niet toevoegen.
Als je iets doet, moet je het goed doen; anders moet je het gewoon niet doen. Dan moeten we weer terug naar de Negen Gezangen van vˇˇr 1933, maar dat stadium zijn we gepasseerd. Laten we maar eerlijk zijn: binnen onze kerken hebben de gezangen een voluit legitieme plek.
Het valt moeilijk uit te leggen, waarom er dan wel 250, maar geen 500 mogen zijn.
En nogmaals: niet iedere gemeente hoeft alles te zingen. Dat gebeurt trouwens nu met de 150 Psalmen ook niet.

Niet te weinig

Er mogen in de liederenbundel ook geen liederen worden gemist.
Een groot aantal kerkleden mist tot nu toe opwekkingsliederen.
Als deputaten hebben we ons met deze kwestie regelmatig bezig gehouden; dat was niet eenvoudig. We liepen er tegenaan, dat onze criteria ons in feite niet de mogelijkheid gaven om uit dit genre te selecteren. Maar omdat we voor de signalen vanuit de kerken wel degelijk begrip hebben, hebben we twee dingen gedaan:

A. naast de ‘evangelische’ liederen die al in de Negentig Gezangen zijn opgenomen hebben
we nog eens een aantal uit de Evangelische Liedbundel geselecteerd, omdat deze bundel
qua stijl vrij dicht aansluit bij de stijl die wij tot nu toe gewend zijn;
B. wij vragen de synode om onze criteria te verruimen, zodat we in de toekomst ook in staat
zullen zijn om goede opwekkingsliederen te selecteren.

Geduld

U merkt uit het bovenstaande wat ik ook al zei, namelijk dat we in een proces zitten.
Dat heeft als nadeel, dat we voorlopig nog met een stuk onzekerheid moeten leven. Hoe de definitieve bundel er uiteindelijk uit zal zien, weten we nog niet. Zelfs bestaat nog de mogelijkheid, dat er in de toekomst samenwerking tot stand komt met ‘Liedboek 2000’, waarbij dan afgesproken moet worden wat wij daar wel en niet uit zingen.
Onzekerheid heeft nadelen. Ieder weet graag, waar hij of zij aan toe is. Verder werken we met losse boekjes en om dat aantal niet nog eens uit te breiden stellen wij voor om de liederen die de synode van Amersfoort vrij zal geven, niet apart te publiceren. Om ze toch in een kerkdienst te laten zingen zal enige moeite moeten worden gedaan (tekst en melodie opvragen, projecteren met beamer of overhead, kopiŰren).
Maar dat is nu eenmaal niet anders. Als je als kerken van onze omvang aan een gezangbundel werkt, je wilt daar met elkaar bij betrokken zijn en je wilt het goed doen, dan ontkom je niet aan zulke dingen. Graag dus nog wat geduld.
Maar we mogen dan ook een goed resultaat verwachten. En intussen eren wij God, bemoedigen wij elkaar en vinden we ook zelf steun in telkens nieuwe liederen die ons
soms op een heel verrassende wijze de ogen openen voor wat we zo nog niet hadden gezien.
Moge God onze inspanning zegenen.

Namens deputaten kerkmuziek,
ds. T.S. Huttenga, voorzitter

Voor meer info zie het volledige rapport,
www.gkv.nl/deputaatschappen