ARTIKEL UIT Kerkbode








nummer


7

datum uitg.


13-feb-2004


‘Onze werkelijkheid en Gods werkelijkheid - J.H. Kuiper

‘Het sneeuwde’ onlangs. Hoezo ‘het’? Was het niet God die de sneeuw rondstrooide? Zie Psalm 147. U kunt vast nog wel meer voorbeelden bedenken: ‘het onweerde’. Maar is de donder niet de stem van God, Psalm 29. Wij proberen om de wereld om ons heen te beschrijven, bijvoorbeeld in de wetenschap, en we vallen niet terug op God, zodra we iets niet begrijpen. Volgens de bijbel echter hebben al die dingen juist wel met God te maken. Daar ligt een bron van spanning en onbegrip. Ik denk even aan wat een buurjongetje tegen mijn zoon zei. Die laatste had hem verteld, vijf jaar oud, dat God hem gemaakt had. Hij vroeg dat echter na en zei de volgende dag dat het niet klopte: zijn vader had hem gemaakt. Het één of het ander.



Deo fidendum, remediis utendum

Een beetje Latijn kan geen kwaad. De titel boven dit onderdeel is een spreuk uit een oude apotheek: vertrouw op God, gebruik de middelen. Het zal wel bedoeld zijn als reclame voor de remedies die de apotheker in voorraad had. Toch zit er een diepe wijsheid in: je moet het een en het ander doen. Hetzelfde komt naar voren in het motto van die kapitein op een oorlogsschip: vertrouw op God, houdt je kruit droog. Hij zei dat in het Engels, maar dat laat ik nu maar achterwege. Godsvertrouwen en nuchter bezig zijn sluiten elkaar niet uit. Ze horen integendeel bij elkaar. Ten diepste komt dat vanuit de overtuiging dat onze wereld Gods wereld is. Het zijn de middelen die de Schepper zelf aanreikt. Daarom: Hem vertrouwen en dan niet de middelen gebruiken, is tegenstrijdig. Nog iets ingewikkelder: de lijn van de schepping en de lijn van de verlossing lopen samen.

Voorzienigheid

Als je daar zo over nadenkt, is het onderwerp ‘gebedsgenezing’ een variant op het oude gesprek over goddelijke soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid. Zeker als het naar voren gebracht wordt door mensen die suggereren dat je niet naar de dokter moet, maar naar de gebedsgenezer, dat geloof en gebruik van pillen elkaar uitsluiten.
Het opvallende van zo’n houding is dat die eigenlijk het negatief is van die andere, dat het gebruik van pillen geloof overbodig maakt. Met of zonder zegen van God, het antibioticum maakt je beter. Dat is de belijdenis van de moderne tijd.
Daar zit een hele ontwikkeling achter. Onlangs is iemand gepromoveerd op de manier waarop in de zeventiende eeuw natuurwetenschap bedreven werd: alles wat ontdekt werd, vormde en bevestiging van de belijdenis dat God alles geschapen heeft en bestuurt. Maar langzamerhand kwam er een omslag, waarin de rol van God beperkt werd tot die dingen die de wetenschapper (nog) niet kan verklaren. En dat werd steeds minder. De rol van God werd steeds kleiner. Hij was niet langer aanwezig in het onweer, waar een heel mooie verklaring voor is. Voor veel zogenaamde wonderen bleek een uitleg aanwezig. God vulde de gaatjes op. Goddelijke soevereiniteit en menselijke verantwoordelijkheid zijn in dit wereldbeeld concurrenten. Elk van beide heeft zijn eigen speelveld. Uitbreiding van het veld van de één betekent inkrimping van het veld van de ander.

Is dit alles?

Langzamerhand kwam er een gevoel van onbehagen over deze houding. Als onweer alleen nog maar een elektrische ontlading is en niet meer de stem van God, verlies je veel. De wereld wordt platter. Aandacht voor gebedsgenezing – en dan kijk ik even verder dan alleen de actuele – is een soort tegenoffensief om terrein voor God terug te winnen. Maar het opvallende is: je blijft in dezelfde schema’s denken. Zegt de mens van vandaag: niet God, maar de dokter, daar wordt het in feite omgekeerd: niet de dokter, maar God. Je kunt je afvragen of dit afdoende is. Bij de praktijk van gebedsgenezing hoort ook een terreinafbakening. Je gaat niet met een gebroken been naar zo iemand toe. En uiteindelijk houdt zijn gave ook halt voor de dood, die geen mens ontwijken kan. En daar zit nu net het probleem. Wanneer wel, wanneer niet. Is het niet tijd om dit dilemma aan de kant te zetten.

Vertrouw op God, gebruik de middelen

Twee lijnen tegelijk vasthouden, daar gaat het om. Het is niet of –of, maar en-en. Het is altijd honderd procent goddelijke soevereiniteit en tegelijk honderd procent menselijke verantwoordelijkheid. Zie hiervoor uitgebreider het nog niet zo heel lang geleden opnieuw uitgegeven boekje van K.Sietsma onder deze titel. God en mens zijn geen concurrenten in de strijd tegen ziekte, maar werken samen. En beide geven zich daarin voor de volle honderd procent. Het geldt overigens ook voor al die situaties waarin wij worstelen met de vraag of God het nu moet doen of wijzelf. Bijvoorbeeld bij de bekering.

Op die manier zie je nog steeds twee lijnen. Aan de éne kant de wetenschap met een vaak gesloten wereldbeeld. Die beschrijft Gods schepping. Tegen wil en dank. Misschien ook wel met een gevoel van macht. Kijk eens wat wij kunnen. Het blijft echter Gods schepping. We horen Hem nog steeds in het onweer, al weten we inmiddels dat Hij daarbij gebruik maakt van natuurkundige verschijnselen. Dat is namelijk de andere lijn. Onze wereld is Gods wereld, waarin Hij werkt, volgens zijn plan, met zijn bedoelingen. Er is geen reden voor de suggestie dat het vromer is te bidden dan te bidden en tegelijk naar de dokter of de therapeut te gaan. Gebed hoort in de verhouding met de Here thuis en de middelen komen uit zijn schepping.

Verwarring.

Bij de praktijk van gebedsgenezing worden de dingen door elkaar gehaald. Daar wordt opeens het gebed dat thuis hoort in de verhouding met God een middel in de strijd tegen ziekte. Dat is tegenstrijdig. Gebed is overgave, je kwetsbaarheid erkennen en de leiding van God aanvaarden. Al biddend kun je niet anders dan je toekomst open laten en over laten aan Hem. Natuurlijk mag je heel concreet worden en God je wensen voorleggen. Zo noemt Paulus dat in Filippenzen 4. Uiteindelijk beslist Hij: Uw wil geschiede. In het gebed zijn zelfs de remonstranten, mensen van de vrije wil, calvinisten, zei eens iemand.

Je bidt dan bijvoorbeeld om genezing. Prima. Zelfs als de middelen van de medische wetenschap niet langer toereikend zijn. Vaak komt er genezing. Soms ook in het laatste geval. Verhoring op het gebed. En wonderen gebeuren nog steeds. Alleen: je gebed blijft overgave, ook in de worsteling: Uw wil geschiede. Zo was dat voor onze Heiland; zo is dat voor ons.

Waar het om gaat: je moet niet met voorbijlopen van de middelen die de Schepper aanwijst, het gebed zelf als middel gaan gebruiken. Daar is het niet voor bedoeld. Dit geldt ook voor vormen van gebedspastoraat, waarin het bidden gebruikt wordt om een therapeutisch doel te bereiken. Niets tegen bidden in het pastoraat uiteraard. Maar wel als echt gebed, gezamenlijke erkenning van afhankelijkheid, waarin de toekomst open is en tegelijk veilig, in Gods hand.

Onderscheid

Er is een tijd geweest dat de theologie alles oploste door onderscheid te maken. We zijn daar wat van afgestapt, omdat heel vaak dit onderscheid kunstmatig bleek te zijn en een schijnoplossing bracht. Het leek wel helder, maar het gaf in feite de vraag een andere naam.
Toch is zo’n onderscheid soms nuttig. Ursinus, de voornaamste opsteller van de catechismus, wijst in zijn behandeling van het gebed erop, dat er twee soorten beloften zijn:

· Er zijn dingen die God belooft zonder er een voorbehoud bij te maken. Vergeving van zonden en eeuwig leven. Wie daarom vraagt, krijgt het ook, je hoeft er niet aan te twijfelen.
· Er zijn ook dingen die God belooft waar Hij wel een voorbehoud bij maakt. Het is goed om te vragen om een goede gezondheid en een lang leven, maar Gods weg kan anders zijn. Je hebt daarover geen persoonlijk geadresseerde belofte. Als je deze wensen naar voren brengt, bid je ook anders. Je voornaamste wens is immers Gods zaak: uw naam worde geheiligd.

Voorlopige conclusie.

We benaderen het onderwerp gebedsgenezing op een open manier. God kan vandaag, net zo goed als in de tijd van het nieuwe testament, mensen beter maken omdat zij of anderen daarom bidden. Wie zijn wij om Hem voor te schrijven hoe Hij vandaag handelen moet.
Tegelijk zien we het grote gevaar, dat het gebed in feite een middel wordt in de strijd tegen ziekte, naast of in plaats van andere. Je geeft er dan veel aandacht aan, maar je doet de omgang met God in feite tekort.

Assen, J.H. Kuiper